2


Ik heb weinig gereisd, en als ik reisde
was er een herfstige voorjaarswind
om het licht te verspreiden.
De deur naar de droefgeestige keuken stond
meestal open, de dorre bladen hadden vrij spel in het huis
dat mij gastvrijheid bood. Ik zat op de grond
omdat er geen stoelen waren en ik dacht

"Dit is als de dood, zoals de koude tocht
het hele jaar hier over de planken schuurt
van dit huis, dat allang had moeten verdwijnen"

en diezelfde koude vlaag wind
voerde de rest van mijn leven mee, het was ineens
jaren later, ik had een stuk van mijn tijd gemist

Ik was ouder, ik had niets gewonnen
alleen wat glans verloren. Dat was de straf
voor wat ik was en leefde, als een die zijn gedachten
meestal thuis op zich laat wachten,
en terug moe is en zelden denkt.

Want ik leefde niet meer, ik verdroomde
tot ik wachtte op de dood.



Volgende
Vorige
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma