Ik zag een dageraad
toen ik op een kade stond recht waaronder de zee
zich uitstrekte, vanachter een schiereiland
schoten stralen de drukke grijze hemel in
en dit licht
bewoog naar mij toe alsof een voorwerp
zich losmaakt en mij uitzondert en het oog
ziet het niet juist alsof dit voorwerp zich met schokken
en niet vloeiend verplaatst
Ik liep op beton
hoog boven het water
en overal rondom
loste de omgeving op in mist
Het was ochtend: de
nevel werd verlicht.
Het was alsof ik niet liep maar zweefde
boven de reflekties in het water,
het ritme van de
golfslag gaf het ritme van mijn passen aan
ik zag vanuit de mist hoe door de lichtbanen aan de hemel de
verwaaide wolkenflarden verdwenen
en dit licht bewoog
naar mij toe alsof een voorwerp
zich losmaakt uit gedachten
tot een gestalte die ik herken die een spoor legt
om te volgen
om langzaam te
zoeken naar projekties in de hemel
naar een rijkdom van verlangen zodat ik meen
in het schrijnend geweld van de ontzegging te sterven
uit de vreselijke sleur
Ik liep voort uit de
nevel op de kade
tot het avond werd, de verlaten gebouwen groen kleurden
door kunstlicht, en de laatste figuren op straat
duistere silhouetten werden, ik vond het huis terug
in de mist die de straat vulde
Ik liep voort uit de
nevel
het huis in waar het eeuwig
donker was en een onbekende
op mij wachtte om
mij uit zijn sterke arm
de dood te bereiden maar hij hield zich in
en bewoog niet: zo stonden we
even, het moment
ging voorbij
het was een illusie in de duisternis
verwekt
Ik ging de tuin in
Door het geheel donkere huis heen
scheen vaag het licht van de straat Ik zag de kamers
in al hun diepte
Later in de nacht
zag ik weer de vreemdeling
toen ik met een schok ontwaakte Hij leunde over mijn bed
zonder te bewegen of iets te zeggen, een gitzwart silhouet
Dat duurde lang. Het wachten was gespannen.
Ik meende hem te herkennen maar wist niet wie het
was
Volgende
Vorige
Teksten
Schilderijen van Adriaan
Brolsma