Het Monster In De Put

Hij lag op de bodem van een verschrikkelijke, tientallen meters diepe
put, waar het aardedonker was en waar weke, onbekende wezens hem
aan alle kanten omringden en zich met smakkende geluiden glibberig
aan zijn blote voetzolen vastzogen en, gebonden als hij was, hij kon
niets doen dan huiveren en nadenken...
Toen begonnen, gemonteerd in de putwand, enkele lichten aan te gloei-
en, wat hem in staat stelde zijn omgeving nauwkeurig op te nemen.
De bodem van de put was erg klein van oppervlak, zodat hij er juist, het
lichaam gevouwen, kon liggen. Ver boven hem verloren de wanden van
de put zich, waar het lamplicht ontoereikend was, in hetzelfde doodse
zwart als geheerst had vóór het aangaan van het licht.
Zoveel mogelijk probeerde hij zijn ogen af te houden van de wezens, die
overal om hem heen en op hem kronkelden, en zodoende wierp hij de
eerste schuine blik op de putwand achter hem.

Dat gedeelte van de putwand bestond niet uit steen - maar uit dun glas.
Achter dat glas was een andere, onverlichte ruimte, nog smaller dan die
waarin hij lag... En wat in die tweede ruimte gewrongen was, geen mens
die het zou kunnen beschrijven - het was een reusachtige, vette SPIN die
leek te bestaan uit een grijsachtig poeder dat een vaal, bleek, onheilig
LICHT uitzond; de bolle bloeddoorlopen ogen zijn op hem gericht, en
juist terwijl het lamplicht weder dooft - na een laatste krachtsinspanning
van het weke bleke walgelijke lijf springt de glasruit in stukken en maakt
het Ding zich gereed zich op hem te storten.


Volgende
Vorige
Griezelverhalen
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma