De Vlucht In De Nacht



Hoog waren die tonen; zacht begon hij zich op hun tere klanken - dat ach, hoe
ongrijpbare was in hen - te verheffen, in het begin met rijzen en dalen, doch
naar gelang de tijd vorderde, met immer vastere vlucht... Mysterie! Waren het
seconden of eeuwen, die pose, waarin hij zich traag heen en weer schomme-
lend, log de armen zwaaiend, ze toch vrijwel niet bewegend van het onwillig
geschubde vloerkleed - hoe temperde het altijd zijn nijvere stemming niet? -
ja, ook zijn benen hun vaste gang, de ogen strekkend naar een punt, vergaan
door de onaflatende gang des tijds - donkergrauwe plek in de vloerplint, be-
woog tot de niet reeds zwarte ramen, de nog blinde ogen van bij weerge-
weld lijdend huis, want kalm waren de leden toe, stil gesloten het helle doek,
hij niet wetend, de ogen verwachtend, het lichaam niet in de pose van het lig-
gen, van het zitten, staan, in de ogen niet die blik van bij het zich verbazen,
angstig zijn, niet wetend wat te doen, doch eerder een aangenaam consume-
ren, diepe lectuur lezen, ingespannen arbeid verrichten, voorwaar, dat alles
in zich, in een staren, en gretig, toch onhandig, deed hij wijken de gordijnen,
opende niet moeiteloos het raam, ving aan, in oneindige traagheid, week naar
het lege, lokkende, buiten, zwart te glijden, reeds half door die opening, het
lichaam zwevend, reeds schuin omhoog, daar was zijn ongeweten doel, even
iets moeizamer werkend waar de lendenen, door het klimmen der jaren ver-
zacht, aangevreten waren, en dan - dan - was hij vrij, open aan de elementen,
het toekomstige, heerlijke, vreselijke, kermend, zingend in zijn oren, hij spreid-
de de armen uit, opzij, omhoog, zijn mond lachte, ijzige koude moest heersen,
maar zo niet voor hem, hij voelde niet, was niet, wel, wist zich, was opgeno-
men in het niet reële, opgenomen in de koude, steeg, steeg, zag wat om hem
was als een rond hem gebracht decor, slechts hij was werkelijk, voelde geen ver-
bondenheid met zijn omgeving, wist van, herkende geen, zag alleen voor hem
wisselende proportie en steeg, vloog met stijgende snelheid van zijn woning
weg, reeds vergeten, noch achtervolgde hem de ijler wordende muziek, nu was
alles stil en donker, een nieuwsgierige eenzaamheid, zijn gezicht was naar be-
neden gekeerd, de peilloze diepte boezemde hem angst noch afkeer in, hij wist
dat hij niet zou vallen; nee, nog niet... Onder hem was het bos, zwaar,
verbiedend, nooit had hij erin durven gaan, nu was hij er boven, ver reeds,
steeds verder, onafzienbare boommassa; monsters, elk, dreigend, zwaar, strekte
zijn takken naar hem uit, maar hij was niet bang, eerder beving hem een
gevoel van opwinding - daar doemde een zwart, verschrikkelijk meer
voor hem op, en tegelijk begon hij traag te dalen, hij bad dat het zijn doel
niet was, die donkere, ijzige poel, het ijzingwekkende zwart rukte aan hem,
maar hij ontweek het, hoewel hij er op niet grote afstand overscheerde, en
verder ging hij en daar was weer een meer, tienmaal groter, hij was niet bang,
zijn gevoelens neigden meer naar vage sympathie, hij voelde deze diepe plas zijn
beschermer tegen de wreedheid van dat andere, dat hij zojuist gepasserd was, en
bevond zich, nog steeds zwevend, half onder, half boven water, het klot-
send, koel vocht bespatte zijn gezicht, hij zag rond, zag de wrede zwarte bomen
rondom staan, wilde verdwijnen vóór zij merkten hoezeer hij in hun nabijheid
was, hoezeer hij binnen hun bereik en hun mogelijkheden lag, van hen kon zijn,
de op til zijnde vijandschap maakte hem eenzaam, heel erg, en plotseling wist hij,
dat het water hem gezelschap bood, want toen hij begon te zinken, het water hem
indronk, hij ingleed, daalde, daalde - Zie! Beneden was nog enig vaal
licht - ontwaarde hij vele rustende vormen, gedaanten, zich ontbindend met het
water vermengend, zwart, zwarter dan het water, de bodem, hem vreemd en toch
zo bekend, waartussen nu ook hij zich, steeds lomer en slaperiger wordend,
vleien wilde, neergleed, insliep, toch week het licht niet - nee, zelfs werd het
hel en heller, tot het hem, door een plotselinge, dodelijke vermoeidheid niet meer
tot bewegen in staat, geheel in zich opnam...








(N.B. Dit verhaal bestaat alleen nog in een oude schoolkrant, en staat daar zó vol
drukfouten, dat ik er bij het typen niet helemaal uitkwam.
Als u denkt dat u de tekst kunt verbeteren stuur me dan een email)

Volgende
Vorige
Griezelverhalen
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma