Valende Gordijnen

Ze besloot dat haar kamer gesluierd was, alsof er iemand begraven werd, die
nog niet helemaal dood was. Naast het bed, boven dat kastje, haar spiegel,
zeer langwerpig; haar spiegel, hij is van boven afgerond.
En ze sliep nog wat. Ze wilde ook wel opstaan.
Waarom was het plafond ook zo in vakken verdeeld, was er misschien wel een
man, boven haar; die deed met een schroefdraad één vak op haar neerdalen,
en te laat zou zij het merken; als een vlieg werd ze platgedrukt, ging dat vroe-
ger niet zo? Of hij was gaatjes aan het boren en liet iets in haar ogen druipen,
het zou sissen en er kwamen kleine wolkjes uit haar hoofd, alles draaide, ze gil-
de en -pèts!- spatte haar hoofd uiteen; de lellen bleven aan de spiegel hangen.

Ze stond voor haar hoge spiegel, haar borsteltje, hoe gering ook, strijkend het
zwakke haar. Aandachtig kaatste het licht in de spiegel haar beeld terug, en
voor haar wil had ze het licht willen doen buigen... Hield ze niet kwijnend
scheef haar hoofd, kammend het wolkend gouden haar. En ze zag al een vaag
licht haar krullen omkransen, niet afkomstig van natuurlijke bron...

Wat was het een mooie ochtend! Ineens straalde een baan koud zonlicht door
de kieren van de verbleekte gordijnen - met valende kwasten! - om vrolijke
vlekken te maken en zorgzaam te wijzen op al het stof in de kamer. Ze stak
haar neus langs het doek tot het glas, en zag de zon. Wat vond ze de dag mooi!
Maar bij het ontbijt moest ze denken aan vroeger: hoe ze eens een bedorven ei
had gehad, dat rood-donker tussen de andere had gewacht, dreigend, en dat ze
nooit uit vrije wil had kunnen kiezen, onmogelijk - het had op háár gewacht.
Peinzend verwerkte ze haar eten.

Koud zat ze op haar stoel, zij ver van haar lichaam, ze wenste zich ver -
het vele kleine om haar heen maakte de kamer te vol om ooit op te ruimen.
Gevangen in een onpeilbare diepte - nee zelf was ze onpeilbaar (had ze niet
's nachts een boos bonken en hameren gehoord, gestommel en luid praten,
en bevend opgestaan was ze in een val, ramen en deuren met grove planken
dichtgespijkerd, gillend rennen van muur tot muur, in een val, een rat in een
val). Opschrikkend zag ze, dat het alweer schemerde, en plotseling ook zag ze
deze verloren, verleden dag, zo voorbij, en andere dagen als deze, en haar plot-
seling heftig verlangen raakte ongemerkt de atmosfeer van het vertrek, een ge-
spannen voorgevoel greep haar aan van iets groots, dat toch nog komen kon.
Hoeveel lampen konden haar vertrek verlichten? Kwam het schijnsel, vaag
bollend door de roze lampekap, daarvandaan tot haar? In haar borst stond het
verlangen, de verwachting door hoop, zó groot gespannen alsof het barsten zou!
Ze voelde haar hoofd groot, groot, wat mooi, maar te groot, en dáár was
haar spiegel, groot, los zwevend van de muur, te groot en te ver toch om niet
te vallen, en zij zag erin: zij zag erin met wilde verwachting, hoop, verlangen,
verlangen om zich te zien, haar spiegelbeeld, achter het glas, en verstenend, vol
afgrijzen, kwam de gestalte op haar af, de gestalte, die de hare niet was, bekend
toch, vaag bekend, toch vreemd.
Geen gedachte was in haar, leegte, want ze kon niet in die ogen kijken die de-
monisch vurig moesten zijn, maar toen ze durfde, zag ze in de ogen van haar
spiegelbeeld, zo onpeilbaar, er was vuur in, maar ook koelte, medelijden, iro-
nie, en ze waren ook verlokkend, haar lokkend naar - -
En toen vluchtte ze, ze vluchtte en deed de grote lichten aan, want het was don-
ker geworden, en tranen liepen over haar wangen, van verwondering?
Langzaam de handen scheidend van haar gezicht, wist zij haar verlangen weer,
maar nu ook een nieuw en groter verlangen, en ze zag ìn haar fout: en bevend
schoof ze voorwaarts naar de spiegel, toch even het moment uitstellend dat ze
haar gestalte zou zien, dat verre gelaat, dat vaag het hare was, en de verduide-
lijking die het zou geven van de hoop die het inhield...
Nòg hielden haar ogen in mist de spiegel weg...maar toen zag ze tenslotte haar
eigen bleke gezicht in het witte lamplicht, teleurstelling en verlangen waren sa-
men te groot voor zelfs maar een traan, terwijl ze wanhopig graaide naar het
geheim waaraan ze even had kunnen raken, te kort; en voorgoed was het nu
verloren.

Die avond werd er gebeld, en toen ze het geluid hoorde, wist ze dat de vooraf-
gaande stilte geweest was om het te bevatten, die schel, luider nu dan voorheen,
dacht ze.
Wat was dit nu? Momenten was er niets in haar, tot de dingen om haar, en
vooral, wat daar buiten moest zijn, zich op haar stortten, met ontzetting en schrik.
Wie kon dat nu zijn? Zó laat? Wie wilde haar nú nog zien?
Angst begon over haar rug te rimpelen, en ze bedacht, dat misschien de gordij-
nen niet goed gesloten waren, dat dóór de zwarte kieren zij van buiten te berei-
ken was, te zien.
Haar stijve vingers frommelden het doek, tot het zwart verdwenen was, als de
angst haar niet wegrukte bij het raam; en ze dacht eraan, om weg te zijn, vèr
weg, waar het zonnig en feestelijk was, maar tegelijk schokte haar blik door het
vertrek, alles wat ze ooit had, waar ze zich ooit had thuis gevoeld, dat haar ver-
ried, blootgaf, dat afwachtte.
De stoelen hadden haar willen doden, achter de spiegel had wellicht een moor-
denaar gescholen die -
maar haar hand was al op de deurknop om te openen, ze zag de pezen en klo-
ven in het felle licht haar veroordelen, rustend op de deurknop, ze wist, of
hoopte slechts, dat haar ogen zouden falen, dat het duister werd, en er werd
wéér gebeld, het geluid galmde door de ruimte, en de deur schoot open:
en ze moest de gestalte zien die daar stond, door het licht erachter een zwart
silhouet.
Ze moest rustig zijn, spreken, een glimlach forceren: zag hij haar aan, of stond
hij met zijn rug naar haar toe en zou hij zich omkeren om te gaan spreken?
Was het niet beleefder - maar toen wist ze, nee, en haar knieën sloegen tegen
elkaar,

hij zou zo blijven staan,
en zij,
en nooit meer zou ze tussen hen
de deur kunnen sluiten,
nooit - -
tot in de
eeuwigheid.


Vorige
Eerste
Griezelverhalen
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma