Een glimlach verhelderde haar gezicht:
ze keek in mijn ogen, 't was
beklonken: we waren vriendinnen.

Wat is ze alleen geweest. Nu
heeft een wagen haar hier gebracht. Nog
beschut haar parasol haar
voor de regen; zie; 't klaart
op; 't is voorbij. Nu zijn we hier;
Viktor, de marchesa!

(Geluid van hengsels en deuren, versterkt. Met een gil komt
de marchesa binnen.)

Marchesa
Ik ben hierheen gekomen
om mijn woning te zoeken: mijn
kamers, waar ik het weerlichten
kan volgen, waar ik 's avonds vuurstralen
op bezoek kan ontvangen, eenzaam; en eerst
wil ik hier drinken.

(Ze kust Evangelica, die met haar valies verdwijnt)

Viktor! Mijn alleroudste vriend,
en Harald! Ik heb jullie gemist,
ook al leek het vaak
of jullie me vergezelden.

Wat heb ik u gemist. Ik heb geschenken
en souveniers meegebracht: statige, verminkte beelden,
opgedoken
uit de diepe zee. Als zoenoffer. Ik zal ze u
later tonen...

Al mijn liefde, mijn hele leven
heb ik weer naar u toegebracht:
een zoenoffer.

(Viktor en de marchesa gaan aan de bar zitten. Harald schenkt

Volgende
Vorige
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma