Tot dan heb ik willen wachten,
maar de dagen werden langer,
't viel zwaar.

Nevel heeft mijn geest belet
zich verder voort te planten.

Om de hoeken der straten
boog zich mijn oog
of er licht was.

Tot hier:
zo' n lange avond
in dit zeldzame café.

Of ik muziek hoorde!
Ik kijk u in de ogen: wisselen wij
blikken van verstandhouding;
een gemeenschappelijk uitgangspunt?
Het eindpunt van uw reis?

Marchesa
U bent een groot man geworden!
Ik heb alleen
geleden!

Ik kende een volk van reuzen,
ik woonde onder hen: ze bevolkten grote stranden,
blootgesteld aan bliksem-
schichten vochten ze, elke dag opnieuw,
niet weerloos. Met onaardse gestiek
verdedigden ze zich, en wonnen
telkens. Leden ze dan niet echt?
Werden ze niet verbrijzeld?

Het hemellicht knetterde over hun massief stalen
lichaam, als griezelige fonteinen,
en ze lachten.

Het leek een adelaarsnest. Maar ik sliep

Volgende
Vorige
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma