Dan meen ik in de kosmos een geruststellend patroon
te onderscheiden. De ordenende hand
die mij tot een onfeilbare missie heeft voorbeschikt.
Of is het het stigma van een voortijdige dood
en zingt een grandioos noodlot niet
met galmende echo's in mijn bestaan?



Op een heuvelrug stond ik, gestrekt,
de handen achter mijn nek
gevouwen: het landschap blies
door mijn haar

Het landschap vouwde zich
als een deken om mij heen, het werd warm. Hier
was een ervaring die mij nieuws
te denken gaf:

ik keek strak voor mij uit
en voelde me een steen die erodeert
of een boom met krakende takken
(de wind zwol aan)

Dit gaf mij te denken dat ik niet zo slecht was als ik meende. Dit
schonk mij nieuwe hoop. Want
ik stond daar zonder veel slechts te denken als een oeroud monument,
met liefde geschapen tot een deel van dit landschap.
Ik had mijn recht herwonnen.



Ik sta op aarde. Vanuit mijn schoot
trekt een sterke band mij in de toekomst:
ik zie lange rijen vrouwen, enigszins identiek aan mij
verdwijnend in een ver verschiet.
Ik ken hen niet, maar zij kennen mij.

Volgende
Vorige
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma