in de warmte van staal. Mijn huid
was geen pantser: ik sliep
nooit.

Ik wilde mij
van hen losmaken, ik was gedwongen
hen te verlaten, maar ik wilde niet

In het grootste geheim
stal ik van hun majesteit: mijn kracht
leek eindelijk groot genoeg.

Op een ochtend voer ik droevig af...
In een boot, een wrak
dat aan kwam spoelen:
ik verhief mijn blik, mijn wezen tilde
planken bijeen, ik projekteerde
pijn: een monster verrees.

Een groot lichaam
op het water
drijvende blauwe ogen
die kunnen zoeken,
o, droevig!

In het wrak bevoeren we rechte kanalen
waarlangs leed
werd voltrokken,
bloed dat vloeide
voelden wij aan,
het bepaalde onze weg.

Van elke kruisiging
namen wij de pijn in ons op.

Maar alleen het monster groeide.
Het leed was niet te overzien.

Volgende
Vorige
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma