Ik ben heel ver gegaan! Mijn reis
was zwaar. Toch keek ik weinig om mij heen.
Ik luisterde, en wisselde de stilte af
met orkesten, jammerklachten en vals gelach.
Ik luisterde, voelde, maar kon niet ver zien.
Een nevel beperkte mijn blikveld.




Ik vertelde hem
hoe ik recht door een oeroud slagveld voer;
en al dit leed, dat ik passeerde,
dat ik verzwaarde noch zelfs
probeerde te verzachten, bedrukte mij
niet meer. Het wekte een vreselijke hoop
in mij, waarbij ik keerde
tot mijzelf, mij isolerend,
mijn blik verheffend
naar een grijs verschiet. Het
gaf mij een vreemd soort levenskracht:

ik meerde aan,
ging tot een gekruisigd kind
en gaf hem vocht te drinken in zijn verdroogde mond,
veegde zijn tranen af: die waren de laatste druppels
van ontroering om dit rimpelloze
landschap om ons heen,
uit een verdorde wil: hij stierf. Ik dacht:

"Ikzelf ben het geweld
dat deze tranen maakte, ikzelf ben deze tranen
die bij het water druppelen
dat uitmondt in de zee." Ik zei niets meer.

Tot hem, of tot de anderen; ik ging opnieuw
op reis, opnieuw op zoek, naar een ander land.

Volgende
Vorige
Teksten
Schilderijen van Adriaan Brolsma